zaterdag 18 juni 2016

Marianne


Je eerste vergeet je nooit meer. Mijn eerste was een Française, lelieblank en temperamentvol. Haar soortnaam was Citroën AX, maar ik noemde haar Marianne. Toen ik haar kocht, in het laatste jaar van de twintigste eeuw, was ze eigenlijk al een museumstuk: ze had vier versnellingen, een handmatige shoke (waarvan de beheersing me een maandje bloed, zweet en tranen heeft gekost), slechts één zijspiegel en geen achterruitwisser. Ze woog 637 kilo, want bij de AX hoefde je van de carrosserie (en daarmee de kreupelzone) niet te veel te verwachten. Maar ik was maar wat gelukkig met mijn teerbeminde metgezellin. In een tijd dat iedereen om ons heen ons voorbij stoof met cruise control, ABS en airbags, bevonden Marianne en ik ons in een tijdsvacuüm dat volledig toebehoorde aan een ander tijdperk.
            We zijn twee jaar en acht maanden samen geweest, maar in mijn hoofd lijkt het veel langer. Misschien omdat we veel doorstaan hebben in die tijd: na een paar maanden trok ik haar pook uit de kom, ik heb haar ooit afgesloten met de sleutel nog in het contact, we hebben eens met een doorgebrande bougie langs de A10 gestaan en verder had ze veel te lijden onder mijn onervarenheid. Zo had ik op een onbewaakt ogenblik een motorrijder in mijn linkerportier (waarna het raam niet meer open kon, totdat ik hem liet vervangen) en heb ik het eens gepresteerd om op de A4 een lang stuk honderd te rijden met de handrem er nog op (want het lampje was stuk). Daar staat tegenover dat ze in die tijd al een keer of drie klinisch total loss is verklaard, maar ik haar telkens weer liefdevol heb laten oplappen. Totdat het echt niet meer ging…
            Achteraf gezien was het een waardig afscheid om nog even met haar terug te zijn geweest in haar geboorteland. Met de autoslaaptrein, want we wilden haar het hele stuk rijden niet aandoen. Terecht, zo bleek, want al reed ze met een dartele drift door de Languedoc, op een kwade dag viel bij Sérignan haar uitlaatpijp eraf. Zodra we doorhadden dat er geen motorrijder achter ons zat maar dat de herrie afkomstig was van Marianne, zetten we haar aan de kant, om hulp te vragen bij een nabijgelegen camping. De campingbaas wist van wanten: hij had een vriendje bij de sloop en een ander vriendje bij een garage in de buurt, zodat we voor een prikkie onze reparatie zwart konden regelen. Al zat daar de adder onder het gras: diep in de binnenlanden was pinnen utopisch, zodat we moesten lopen naar het dichtstbijzijnde stadje en met de taxi terug, om nog op tijd te zijn voor de sluiting van de garage. Maar dan had je ook wat, ze reed daarna weer tierig door het heuvelachtige landschap. Zoals gezegd, achteraf gezien was het een waardig afscheid. Enkele maanden later bezweek ze definitief aan inwendige bloedingen en eindigde ze als orgaandonor op een non-descripte sloop. Haar nummerborden en 'chevrons' heb ik plechtig meegenomen als aandenken en moet ik nog ergens hebben. Er zijn nadien er nog anderen gevolgd, die zonder uitzondering beter waren uitgerust, comfortabeler en moderner waren. Maar zoals met Marianne wordt het toch nooit meer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen